Passage die ik schreef ter inspiratie voor een personage. Gebaseerd op een interactie die ik laatst had.

Het is klaar met het mooie weer, denk ik, terwijl ik een hijs neem van mijn tweede sigaret op weg naar het metrostation van Zuidplein. De straatmuzikant blaast er zoals altijd op los, en de roltrappen draaien onvermoeibaar door om de aankomende en vertrekkende reizigers die zeker weten de benen hebben om ook de trap te nemen, omlaag en omhoog te vervoeren.

Ik heb nog 5 minuten tot de metro gaat, dus ik blijf nog eventjes hangen op het pleintje terwijl ik me laat amuseren door de voorbijgangers.

“Mevrouw, kent u het evangelisch gezelschap?” is de zin die me ontwaakt uit mijn autopilot. Ik draai me om om te zien dat de oud en koud uitziende mevrouw die voor me staat, het daadwerkelijk tegen mij had.

“Sorry?”

“Kent u het evangelisch gezelschap?” vraagt ze nog eens aan me.

Ah, de moderne missionaris. Dit soort mensen komen in verschillende varianten, de meest beruchte met NRC-vestjes op Leiden Centraal waar iedereen altijd met een boog omheen loopt. Ik vraag me weleens af wat iemand beweegt om herdershond op Zuidplein te spelen, maar op dit moment niet genoeg om in gesprek te gaan met deze mevrouw.

“Nee, maar ik ben ook niet echt geïnteresseerd.”

Dat is nog niet overtuigend genoeg voor de mevrouw. Ze heeft vast geleerd zich niet zo snel gewonnen te geven en vervolgt iets dringender: “Geloof je dat alles toevallig is?”

Ik bedenk me dat ik wel zin heb in een diep filosofisch gesprek. Gewoon niet met iemand die denkt te weten wat goed voor me is. Ik geloof niet in toeval, het tegenovergestelde, ik geloof dat ik op deze aarde ben gezet met een reden. Of het nou kennis, spiritualiteit, goed nalatenschap of iets anders groots en ongrijpbaars is. Normaal zou deze vraag me laten tikken, maar vandaag ben ik koppig.

“Ja, alles is toevallig. Niets in dit leven heeft betekenis.”

“Ohhhh, maar juist niet! Álles heeft betekenis. Niets is toeval,” antwoordt de vrouw. Zie ik een zweem van een lach op haar gezicht? Amuseer ik haar met mijn nihilistische gezwets, of is ze blij dat er überhaupt iemand hapt?

“Geloof je in God?”

Het gesprek gaat hoe zij wil. Deze mevrouw is aan de bal, en ik wil de controle terug. Ik maak aanstalte om weg te lopen, terwijl ik quasi-nonchalant mijn schouders ophaal en voor de vorm nog een trek neem.

“Ik ben niet te redden, mevrouw.”

Haar expressie verandert, en opeens zie ik geen NPC die me iets probeert aan te smeren, maar een mens. Iemand met richting in haar leven, die het beste voor heeft met mij. Ze knijpt haar vingers stevig om het pakketje flyers van welk evangelisch gezelschap ze ook deel is, en kijkt me alarmerend aan.

“Jij bent wél te redden. Iedereen is te redden. Zo moet je niet denken.”

Dat klonk gemeend en oprecht. Haar toon verrast me. Als ik ongesteld was, zou dit me misschien zelfs emotioneren. Ik glimlach en bedank haar, en zet het precieze aantal stappen weg om duidelijk te maken dat het gesprek klaar is. Terwijl ik vanaf een afstandje mijn sigaret oprook, zie ik dat ze nog steeds naar me kijkt.

Ik moet in de maanden die volgen nog vaak terugdenken aan deze mevrouw en dit gesprek. Ik speelde de cynicus, en ze zag door me heen. Misschien hebben de evangelische sales-mevrouw en ik toch meer met elkaar gemeen dan ik denk. Ik hoop dat het goed met haar gaat.