Het loopt de spuigaten uit in Nederland. Iedereen is boos op elkaar en afkomst lijkt de grote gemene deler in wie al dan niet als veroorzaker van al het leed in het land wordt bestempeld. Er worden trams in brand gestoken door boze jongeren die zich niet gehoord voelen, en op Reddit wordt breeduit gepredikt dat deze relschoppers het land uit geknikkerd moeten worden samen met de rest van hun volk. Mensen die in elkaar geslagen worden om hun achtergrond wordt verweten het uitgelokt te hebben vanwege de acties van een groep met dezelfde afkomst. Prominente politici spreken van mislukte integratie. Wie het niet eens is met de ander “stond vast niet vooraan toen ze de hersenen verdeelden” en verschillende (extremere) versies van deze belediging. Er heerst een epidemie van haat.

Weet je waar vrede is? Op het Afrikaanderplein. Elke woensdag en zaterdag, op de markt. Daar kan ik als Joodse Nederlander rustig mijn citroenen en paprika’s kopen van de lieve Iraanse meneer met de groentekraam, die altijd zo gezellig lacht. De kas van de Marokkaanse dames met de kibbelingkraam wordt stevig gespekt, naast de Nederlandse kaasboer. En wie moet niet stiekem grinniken als de Turkse meneer op de hoek als een viswijf schreeuwt dat zijn mango’s in de aanbieding zijn?

Tussen al die verschillende mensen voel ik me bijzonder veilig. Niemand op het Afrikaanderplein geeft een fuck om je afkomst. We halen allemaal rustig onze boodschappen en het enige wat daarbij uitmaakt is bij wie je de beste deal kan krijgen. Wat men interesseert is vers fruit en contant geld. Het is bijna een utopie.

En als ik met mijn citroenen en paprika’s naar huis fiets, is dat het vrolijkst dat je me die week gaat tegenkomen. Want ik heb dan eventjes gezien hoe het óók kan. Mark my words: echte wereldvrede vind je op het Afrikaanderplein.