Je liet me schrikken. Eén uur ‘s nachts, je harige poten verjoegen mijn wazige slaperigheid met een klap als vallend drijfhout. Misschien zag je mijn afschuw, zo bedoelde ik het niet. Heb ik je verjaagd met mijn klapperende hoofdbord? Prefereer je de duisternis die woedt als ik hier niet slaap, wanneer je mijn kamer de jouwe kunt noemen?
Misschien besloot je je schuilplaats te verlaten omdat ik door je rag heen liep vanochtend. Veilig transport is cruciaal. Ik zag het, want mijn walgende blik volgde jouw poten, zwiepend alsof ze pas net aan je kleine lichaampje waren geënt, terwijl je maakte dat je weg kwam. Maar het stucwerk gunde je geen grip, en je moest tot mijn afgrijzen een noodlanding maken op mijn bed. Even wilde ik vluchten, maar dat deed je zelf al.
Eigenlijk ben je best vriendelijk. We delen een kamer als onwillige huisgenoten, jij de muis die danst als ik van huis ben. Maar van mij mag je ook dansen als ik er wel ben, bengelend aan je zijden draadje. Als je het maar op een afstandje doet.

